Harry Prick: biograaf tussen de coulissen

Er is in kranten, tijdschriften en vakbladen inmiddels al even vaak gejuicht over de hier te lande eindelijk ontluikende biografietraditie als er in het verleden is getreurd om het Neerlands gebrek aan goede levensbeschrijvingen. De jubelkreten die het feit begroeten dat het leven van de belangrijkste kopstukken uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis nu eindelijk fatsoenlijk geboekstaafd is of wordt, duiden op een biografische dorst die nu ook sinds ongeveer een decennium structureel gelest wordt.

En dat is even begrijpelijk als terecht. De aantrekkelijkheid van de biografie als genre is evident. In de eerste plaats is de biografie de zerk op het graf van een dode. Niets is saaier dan een begraafplaats zonder zerken.

In de tweede plaats pronkt het genre, in de gedaante die het meestal aanneemt, met de veren van de traditionele romankunst, terwijl het als een vorm van geschiedschrijving bij uitstek geschikt is de historische werkelijkheid een grote mate van tastbaarheid te verlenen. Daar kunnen geen statistieken, tabellen, jaartallen en verslagen van veldslagen tegenop. Het vizier van de biografie is meestal beperkter, maar scherper; de uitkomsten zijn misschien minder omvattend, maar doorgaans indringender. Bovendien zullen de meeste biografen, evenals de negentiende-eeuwse realistische romanciers, stilzwijgend vertrouwen op de veelzeggendheid van het detail en op het exemplarische van het strikt persoonlijke. Een zonderling is zo zonderling nog niet, of het is een kind van zijn ‘race, milieu et moment’. Tegelijkertijd is de held van een biografie dikwijls belangrijk en invloedrijk genoeg geweest om mede zijn stempel te drukken op de verdere loop van de geschiedenis. De historische persoonlijkheid is in de biografie een scharnierpunt, waarvanuit verleden en toekomst van een tijdvak zich op een inzichtelijke manier met elkaar laten verbinden. Dat zijn, onder meer, de troeven die de biograaf in handen heeft.

Dit verduidelijkt evenzeer de huidige populariteit van het genre, als de wetenschappelijke reserve ten aanzien van deze manier van geschiedschrijving de jarenlange verwaarlozing ervan verklaart. Ik denk overigens niet dat de terughoudenheid geheel verdwenen is. Eerder is het zo dat de tegenwoordige, vaak als postmodern gekenschetste scepsis elk denkbaar terrein van de geschiedwetenschap heeft geïnfecteerd en geen enkele vorm van geschiedschrijving zijn wetenschappelijke status volledig en probleemloos kon blijven handhaven. De biografie wordt blijkbaar getolereerd als een even aanvechtbare of aanvaardbare vorm om de historische werkelijkheid te benaderen als ieder andere. Hoe het ook zij, het tij lijkt voorgoed gekeerd: de biografie is in Nederland een volwassen genre geworden.

Als ook de gemiddelde omvang van de biografie blijk geeft van haar nieuwe status dan heeft haar welvaren vorig jaar een voorlopig hoogtepunt bereikt. Toen publiceerde Harry G.M. Prick het langverwachte levensverhaal van de heer K.J.L Alberdingk Thijm, alias Lodewijk van Deyssel, in een meer dan zwaarlijvig boekdeel dat de gestalte van deze Tachtiger in zowel letterlijke als figuurlijke zin eer bewijst. Tenminste, nog maar voor de helft welteverstaan: het tweede deel van de biografie, dat de veel grotere periode van 1890 tot aan zijn dood in 1952 zal omvatten, moet nog verschijnen. In het onderhavige eerste deel volgt Prick het leven van Van Deyssel op de voet – soms zelfs dag na dag – van zijn geboorte tot ongeveer het overlijden van zijn vader. Karel Alberdingk Thijm is dan bijna vijfentwintig jaar. Is dit genoeg: duizend en nog wat vellen druks, voor de rechtvaardiging van een bestaan?

In feite heeft deze publicatie hoegenaamd niets van doen met de recente biografieën-hausse in Nederland. Het is niets minder dan een inlossing van een ongeveer vijftig jaar oude belofte. De hoogbejaarde doch alleszins nog krasse Karel zelf gaf Prick de opdracht tot het te boek stellen van zijn levensgang. Het enthousiasme van de jonge Harry Prick voor het werk van Van Deyssel was goed besteed aan de man die zich in de nadagen van zijn inmiddels verbleekte roem wist. Vanaf dat zij met elkaar in correspondentie stonden – Prick was toen zeventien – en later ook op vriendschappelijke voet verkeerden, zinspeelde Van Deyssel er steeds vaker op en ook aan derden bleek hij zijn besluit al te hebben medegedeeld: Prick moest zijn biografie schrijven.

Vereerd was-ie wel natuurlijk; de eertijds grote, luidruchtige, brutale, onconformistische, shockerende, virtuoze, maar toen al tachtigjarige Tachtiger had uitgerekend hém – ‘een jongen die zichzelf nog niet droog achter zijn oren wist’ – als zijn literaire schatbewaarder aangewezen. Prick werd echter ook, naar eigen zeggen, ‘daardoor in de grootst denkbare verlegenheid gebracht’, en daar kan men zich wel iets bij voorstellen. Niet in de laatste plaats doordat Prick na het overlijden van Van Deyssel werd opgezadeld met een werkelijk angstwekkende hoeveelheid handschriften van de meest uiteenlopende aard. Behalve de gebruikelijke correspondentie bevat Van Deyssels schriftelijke nalatenschap allerlei paperassen die getuigen van zijn maniakale rubriceerdrift. Niets was voor hem onbelangrijk genoeg om niet genoteerd te worden. Zo hield hij bijvoorbeeld systematisch een ‘hygiënisch dagboek’ bij, waarin Van Deyssel pijnlijk precies zijn verorberde maaltijden boekstaafde, alsmede zijn lichamelijk welbevinden daarbij en de daarop volgende stoelgang. Zijn sociale leven, de ontmoetingen met familie, vrienden en kennissen werden genoteerd in een ‘omgangsdagboek’. In het dossier ‘Uitspraken van algemene stemmingen’ werden onder meer zijn driftbuien aan een analyse onderworpen. Daarnaast zijn er nog de vele soorten geschriften waarin Van Deyssel allerlei ambitieuze levensplannen en werkschema’s opstelde, waarin hij zichzelf soms rechtstreeks toesprak met het doel om zich, geneigd als hij was tot levenslustige luiheid, tot enige werkzaamheid op te wekken.

Deze aantekeningen, die alle mogelijke facetten van Van Deyssels bestaan belichten, van zijn vermeende verslaving aan onanie tot aan zijn wijsgerige stelsels, zijn een rijke bron voor de levensbeschrijver. Veel biografen zullen het met aanzienlijk minder moeten doen. Toch zal het Prick al in een vroeg stadium duidelijk zijn geweest dat dit opgedragen klusje niet in een vloek en een zucht geklaard zou zijn, maar dat het, zoals dat heet, een heus levenswerk zou worden. En dat werd het. Prick, die inmiddels alweer een tijdje met korting de bus in mag, heeft een aanzienlijk deel van zijn leven in dienst gesteld van de auteur om, vijfendertig jaar na de dood van Van Deyssel, een oude, waarschijnlijk in jeugdige overmoed afgelegde belofte in te lossen. Wat dat betreft bleek Van Deyssels vertrouwen een schot in de roos.

Maar heeft Prick, die je blijkbaar wel om een boodschap kan sturen, ook een goede biografie afgeleverd?

Als de lezer zich kan vinden in de door Prick gekozen opzet dan is het resultaat zonder meer schitterend. En die opzet is, zeker in het speciale geval van Van Deyssel, wel te verdedigen. Helaas verzuimt Prick zijn opvattingen in deze expliciet te formuleren. Hij schrijft: ‘Het antwoord op de vraag wát mij bij het schrijven daarvan (de biografie, PH) precies voor ogen stond, ligt besloten in het eindresultaat’. Met deze dooddoener gaat Prick mijns inziens ten onrechte voorbij aan de meer of minder principiële problematiek die aan het schrijven van een moderne biografie ten grondslag ligt. In plaats van dat Prick zijn kaarten op tafel legt, voert hij in de inleiding een nogal langdradige en zinloze discussie over feitjes en andere wissewasjes met auteurs die zich in het verleden met het leven van Van Deyssel hebben beziggehouden.

De houding van Prick ten opzichte van zijn onderwerp komt in zekere zin overeen met het devies van het negentiende-eeuwse naturalisme: de auteur dient zich te beperken tot een zo objectief mogelijke weergave van de feiten. Een moraliserende houding is uit den boze. Hij werkt dus in feite helemaal in de geest van zijn held, die zich immers als één der eersten in Nederland sterk maakte voor deze van oorsprong Franse stroming. Maar waar Van Deyssel hoe dan ook zijn eigen persoonlijkheid in uiterst subjectief proza voor het voetlicht bracht, daar is Prick aanzienlijk strenger in de leer: hij houdt zich bijna volledig schuil achter de feiten. En die feiten worden geacht voor zichzelf te spreken. Verklaringen, al dan niet gebaseerd op noties als ‘race, milieu et moment’ worden niet gegeven. Aan Freud, de verleidelijke leidsman voor veel biografen, lijkt Prick al helemaal een broertje dood te hebben; de psychoanalyse wordt angstvallig buiten de deur gehouden.

Prick en Van Deyssel vinden elkaar weer geheel in hun voorliefde voor het detail. En juist omdat Van Deyssel er zoveel belang aan hechtte kon Prick erover beschikken. De grote mate van beschikbaarheid van allerlei feiten en feitjes heeft de vorm van de biografie gedicteerd. Ze stellen Prick in staat Van Deyssels leven bijna van dag tot dag te volgen en daar heeft de biograaf dankbaar gebruik van gemaakt.

De kinderjaren van Van Deyssel, zijn verblijf aan de kostschool Rolduc (later gememoreerd in zijn roman De kleine republiek), zijn verwijdering van het internaat wegens voortdurend ongepast gedrag, zijn eerste literaire activiteiten, zijn polemische exercities, zijn amoureuze avontuurtjes (met als hoogtepunt zijn affaire met de wonderschone actrice Théo Frenkel-Bouwmeester), de herhaaldelijke aanvaringen met zijn ouders, de bacchanalen met zijn (literaire) vrienden, het huwelijk met het dienstmeisje Cato Horyaans en tussendoor steeds: zijn gevecht met zichzelf om de grootste schrijver aller tijden te worden; het levert de ene smakelijke anekdote na de andere op die door Prick met veel liefde geserveerd worden. De biograaf mag zich dan bescheiden opstellen en elk commentaar achterwege laten, de meer dan royale keuze uit de beschikbare gegevens verraadt Pricks grote enthousiasme voor zijn onderwerp. En dat enthousiasme werkt aanstekelijk; de biografie verveelt de lezer geen enkel moment. Niet in de laatste plaats door de verleidelijke persoonlijkheid van de gebiografeerde zelf, wiens bravoure, humor, opgeblazenheid, virtuositeit, beweeglijkheid en onvoorspelbaarheid de vaart er behoorlijk in houden.

Fundamentele kritiek op de biografie is mijns inziens slechts mogelijk op de gekozen aanpak van Prick, niet op de uitwerking ervan, want die is vrijwel altijd consciëntieus. Het grote nadeel van Pricks uitgangspunten is dat de cirkel die de biograaf heeft getrokken om zijn onderwerp af te bakenen, nauwelijks een grotere reikwijdte heeft dan de overigens niet zo heel kleine omvang van Van Deyssel zelf. Zelfs voor biografische begrippen zit Prick zo dicht op de huid van de auteur dat het soms claustrofobische vormen aanneemt. Bijna nergens zoomt de biograaf even uit om in een panoramische shot de lezer een overzicht te gunnen van het landschap waarin de held zich begeeft. Behalve dat een welomschreven visie van de biograaf op de persoonlijkheid van Van Deyssel ontbreekt, wordt er evenmin een poging gewaagd om de figuur meer reliëf te geven door hem tegen het licht te houden van de (literair)historische context. Zo laat Prick de kans onbenut om een van de aantrekkelijkste kanten van de biografie uit te buiten: namelijk om vanuit het strikt persoonlijke te komen tot een visie op (een gedeelte) van een historisch tijdperk. Van Deyssel blijft voornamelijk Van Deyssel en wordt bijna nergens de literator, de Tachtiger, laat staan een belangrijke vertegenwoordiger van een nieuw tijdperk dat overigens meer behelsde dan literaire vernieuwing alleen. De vele details die de biografie haar ontegenzeggelijke charme verlenen, hadden aan pregnantie kunnen winnen als Prick ze in dienst had gesteld van een gearticuleerde opvatting over de figuur van Van Deyssel en zijn tijd.

Vooral de lezers die zich in de eerste plaats interesseren voor de literaire persoonlijkheid van Van Deyssel zullen misschien teleurgesteld worden. Natuurlijk worden alle literaire wapenfeiten van de jonge Tachtiger meer dan breed uitgemeten: zijn activiteiten als (toneel)recensent, zijn polemieken, de kennismaking en omgang met acteurs, schilders en schrijvers, zijn relatie met De Nieuwe Gids, de wording van zijn eerste romans, enzovoort. Toch overstijgt deze uitputtende informatie bijna nergens het niveau van de anekdotiek, omdat een kader waarin deze feiten een sprekender karakter hadden kunnen krijgen, nagenoeg ontbreekt.

Zo zou bijvoorbeeld een korte uitwijding over de negentiende-eeuwse toneelpraktijk en -traditie niet hebben misstaan. Het zou tot een beter begrip hebben geleid voor Van Deyssels ongebruikelijk felle polemiek met Schaepman. Alle ins en outs worden door Prick op zorgvuldige wijze uit de doeken gedaan, maar waaróm deze discussie op zo’n hoge toon gevoerd werd en welk belang dit conflict had tegen de achtergrond van de toenmalige cultuurhistorische situatie, wordt helaas minder duidelijk.

Er zijn meer passages aan te wijzen waar Prick rechtlijnig en onverstoord zijn weg vervolgt, waar een pas op de plaats toch wel wenselijk zou zijn geweest. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de paragraaf waarin Prick verhaalt van Van Deyssels belevenissen als hij als jonge verslaggever voor de Zutphensche Courant de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 verslaat. Een bondig terzijde over de betekenis van zo’n tentoonstelling voor het sociale en culturele leven van die tijd zouden de uitvoerige citaten uit de stukken van de reporter een aanzienlijke meerwaarde hebben kunnen verlenen.

Dat zulke ‘thematische’ uitstapjes de compositie en de voortgang van de biografie niet noodzakelijkerwijs frustreren, bewijst Prick zelf, zij het echter in strikt biografische zin. Zo trapt Prick op een fraaie wijze op de rem door de ontwikkelingen rond de aanstaande dood van vader Thijm te onderbreken door een lang citaat uit de brief van Van Deyssel aan zijn vriend en acteur Arnold Ising jr. De auteur bezingt hierin het geluk van zijn eenzaamheid en vrijheid die hij geniet in zijn villa in de Ardenner bossen: ‘Uit alle vensters – en er zijn er 22 – zoû ik in hooge bochten kunnen piessen in gouden stralen, zonder dat éen ellendige sterveling er iets van zag. Als ik wil, kan ik tien uur achter mekaâr door het huis hollen, van de vliering naar den kelder, schreeuwend, gillend, roepend, krijtend, schaterend als een bezetene, zonder dat er éen buur is, die zich er over zoû kunnen beklagen. Als het donker is en ik wil of er zijn sterren en ik wil, dan kan ik met malle armgebaren buiten gaan staan roepen in den nacht, met niets dan zwarte boomenwind om ’t gek te vinden. Ik kan lang kijken naar herfstdraden en naar de lucht, ik kan graven, spitten, ploegen, zagen, hakken, kruyen, hooyen, dansen in den dag, fluiten, zingen en ík hoor mij alleen’. Het is een schitterende brief die des te aangrijpender is, omdat ze schril afsteekt bij wat Van Deyssel kort daarop voor z’n kiezen krijgt: de dood van zijn vader, geldzorgen en zijn gedwongen verhuizing naar het vaderland. Het is natuurlijk een beproefd foefje, afgekeken van de op spanning beluste romancier, maar het werkt perfect; het levert een van de sterkste en ontroerendste gedeelten op die in de biografie te vinden zijn.

Zoals gezegd: het uiteindelijke oordeel over Pricks levenswerk zal sterk afhangen van wat je als lezer verwacht van een biografie. Ik besef dat je ook té veel kunt eisen: literatuurgeschiedenis, literatuurkritiek, sociaal- en cultuurhistorische geschiedenis, psychologie en dat alles alstublieft ook nog in een overzichtelijk verhaal gepresenteerd. Prick heeft ervoor gekozen om de feiten voor zichzelf te laten spreken en verklarend commentaar achterwege te laten. Omdat ze betrekking hebben op het leven van Van Deyssel, zijn die feiten op zichzelf al fascinerend genoeg. Bovendien reikt Prick de toekomstige onderzoeker meer dan voldoende materiaal aan om vanuit verschillende invalshoeken de diepte in te gaan.

En wie weet of Prick in een afsluitend, synthetiserend hoofdstuk van het volgende en laatste deel van zijn biografie uit de coulissen treedt en de lezer alsnog trakteert op zijn eigen visie op het wonderlijke fenomeen dat Van Deyssel heet.

Mijn applaus neme hij nu alvast in ontvangst.
                                    
Harry G.M. Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1997, 1080 blz.

(Uit: Literatuur 15 (1998), nr.6, p.400-403.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *