‘Een voorbijgaande filozofische dweperij’. Voorbeelden van dramatische ironie in De komedianten

Wanneer we een historische roman lezen, hebben we een geschiedkundige kennisvoorsprong op de personages. Zo heeft een Romeins staatsburger rond 100 na Christus misschien wel van het christendom gehoord, maar hij kan nog niet weten welke prominente rol deze ‘sekte’ in de wereldgeschiedenis zal gaan spelen. In De komediantenwerkt Couperus dit gegeven op geheel eigen wijze uit.

Een journalist vroeg Alfred Hitchcock eens wat zijn films nu zo spannend maakte. Wat was zijn geheim? Het antwoord van de ‘master of suspense’ kwam op het volgende neer: men neme een gelukkig, verliefd koppel dat geniet van een intiem diner. Vervolgens plaatst men een bom met een brandende lont onder de eettafel. Het paar weet van niets. De camera zoomt nu eens in op de verzaligde glimlach van de vrouw, dan weer op de man die lieve woordjes fluistert. Hij maakt een grapje, zij lacht, ze lachen samen. Ze geven elkaar een kus en zijn gelukkig. Deze beelden wissel je regelmatig af met een close-up van de bom met een gestaag korter wordende lont…: effect gegarandeerd.

Er onstaat spanning doordat het publiek iets weet dat de personages nog niet weten. Wie de opwinding die dit kan veroorzaken in aantal decibel wil meten, moet eens op de Dam in onze hoofdstad een poppenkastvoorstelling bijwonen. Een vast onderdeel in de voorstelling is het moment waarop Jan Klaassen de kinderen toespreekt, zonder in de gaten te hebben dat er een boef met een knuppel achter hem staat. De kinderen schreeuwen hun kelen schor: ‘Pas op, Jan Klaassen, achter je!’. Jan Klaassen verstaat er natuurlijk niets van en vraagt aan de paars aanlopende kinderen: ‘wat zeggen jullie nou? Waar hebben jullie het over?’

Grilligheid van het lot
Dit effect, waarbij de toeschouwer een kennisvoorsprong heeft ten opzichte van de personages, noemt men dramatische ironie. Ook Couperus maakt er in zijn werk graag gebruik van. Het vernuftigst doet hij dat in Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… Er is een moord gepleegd, maar het boek draait niet om de vraag wie de dader is. De spanning van de roman wordt bepaald door het feit dat bijna ieder personage dat weet van de moord, weer niet weet dat de ander het weet. De personages verkeren in de veronderstelling dat zij de enige zijn die het geheim kennen, terwijl de lezer weet dat bijna iedereen het weet.

In zijn historische romans kreeg Couperus dit stijlmiddel als het ware op een presenteerblaadje aangereikt. De lezer weet immers welke wending de geschiedenis zal nemen (gesteld natuurlijk dat hij vroeger op school een beetje heeft opgelet en de schrijver zich aan de historische feiten houdt). Zo staat vanaf de eerste bladzijde van De ongelukkige vast dat de islamitische Boabdil uiteindelijk de heerschappij over het zuiden van Spanje moet overdragen aan het rooms-katholieke vorstenpaar. In Iskander leven we mee met de spectaculaire veroveringen van Alexander de Grote, maar altijd in de wetenschap dat zijn zegetocht uiteindelijk zal stranden in India.

Dramatische ironie is dus in zekere zin inherent aan het genre van de historische roman. Ook in Couperus’ historische romans en verhalen zijn mooie voorbeelden aan te wijzen. Ik geef er twee, uit De komedianten. In het eerste citaat zit een aantal beroemde historische figuren bijeen voor een ‘eenvoudig’ middagmaal:

–Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat dat ventje me zoo even zeide… Dat hij den ‘heiligen man van de Christenen’ had ontmoet… Hoe zich dat bijgeloof al meer en meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die ‘heilige man van de Christenen’?
–Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes; de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie gedompeld werd.
–Gebeurde dat? vroeg Suetonius.
–Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.
–Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder; die Johannes
kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeide hem toe.
–Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke sekte; zij moesten
gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is, maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.
–Waarom ze niet te zenden als legionariï in de auxilia-troepen naar Moezië of Pannonië, meende Frontinus.
–Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer…
–Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker…
–Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik, een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte, wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met enkel brood en water.
–Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd in laserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit… de Suburra!

De komedianten speelt zich af in Rome rond 96 na Christus. Het christendom was een religie in opkomst, maar toch niet meer dan een van de vele sekten die Rome toen rijk was. De personages die in het bovenstaande citaat met elkaar van gedachten wisselen tijdens een gezamenlijke maaltijd, zijn zich totaal niet bewust van het belang van het terloops aangesneden onderwerp. Geen van hen ziet het christendom als een potentiële wereldreligie.

Het is duidelijk dat de dramatische ironie hier niet is aangewend om de lezer kippenvel van spanning te bezorgen. Het belangrijkste effect is hier de knipoog van de auteur naar de lezer. Samen met Couperus gniffelen we om de onwetendheid en achteloosheid van de personages. Veelbetekenend is dan ook de luchtige draai die de dichter Martialis aan het gesprek geeft aan het einde van het citaat. Het bewijst hoezeer dit onderwerp voor deze heren slechts één van de vele is die de revue passeren tijdens hun genoeglijke samenzijn.

Toch kan ik me niet aan de indruk ontrekken dat in dit fragment ook wat van Couperus’ eigen ongeloof (of spijt?) doorklinkt over de wonderlijke wending die de geschiedenis heeft gekregen. Hoe logisch is het eigenlijk dat zo’n eenvoudige sekte kon uitgroeien tot een heilsleer voor miljoenen mensen over de gehele wereld? Rome telde immers tientallen ‘vreemdsoortige’ religies die op een aantal cruciale punten afweken van de officiële staatsgodsdienst. Bewijst het succes van één van die sektes niet de onvoorspelbaarheid van de geschiedenis en de willekeur en grilligheid van het lot? En zo zijn we bij Couperus weer op bekend terrein. De dramatische ironie maakt plaats voor de wrangere ironie van het lot. De afstand tussen de auteur en zijn lezers enerzijds en de personages anderzijds wordt kleiner. De personages functioneren als een historische spiegel voor de hedendaagse lezer. Ook wij zullen nu wel eens luchthartig over onderwerpen praten, zonder in staat te zijn het belang daarvan in het juiste perspectief te plaatsen.

L’art pour l’art
In het tweede citaat praat de Egyptische herbergier Nilus met de dominus-gregis, de leider van het troepje komedianten, over de toekomst van het theater. Ook deze heren zien geen grote rol voor het christendom weggelegd:

–Maar weet je waar ik zoo een idee van heb? zei Nilus. Dat het theater, dat uit de godsdienst ontsproten is, weêr heelemaal terug tot de godsdienst zal gaan…
–Tot welke godsdienst, Nilus? Tot een nieuwe godsdienst? Want tot Bacchus keert het zeker wel niet terug… En tot Isis..
–Even min, verzekerde, nadenkende, Nilus. Tot een nieuwe godsdienst… Het zoû niet onmogelijk zijn… Tot een alles omvattend, algemeen godsdienstig gevoel misschien, dat tot het publiek zoû spreken… Maar zeker niet…
–Dat van de Christenen??
–Neen, tot dàt zéker niet. Dat geloof is een voorbijgaande filozofische dweperij, die nooit iets met het theater te maken zal hebben. Maar dat het theater weêr eenmaal… een mysterie kan worden, ja, dàt zie ik bijna zéker… als ik me herinner welke plechtige voorstellingen in ònze Isisdienst toch bijna dramatiesch… Maar Christelijk, neen… nooit…
–Een Christelijk mysterie-theater! lachte de dominus. Neen, Nilus, daar zijn we het met elkaâr over eens, dat zal nooit bestaan, niet in der eèuwen loop! Wat ik meen, is dit: kunst mag eigenlijk voor mij niets anders zijn dan kùnst…
En de dominus, op en neêr loopende, met den caupo, in de nauwe Suburra, legde hem uit wat hij meende, dat het theater wel worden mocht in de Toekomst en wat niet. Als er ooit tooneelschrijvers werden geboren, die meer genie zouden hebben dan Plautus, Terentius en hunne Grieksche voorbeelden…

Wat ik over het eerste citaat opmerkte, geldt natuurlijk ook voor het tweede. Maar er is nog een andere reden waarom, ondanks de dramatische ironie, de afstand tussen de personages en de auteur kleiner is dan men in eerste instantie veronderstelt. Als de dominus pleit voor kunst die niets anders mag zijn dan kunst, dan schemert toch iets van de opvattingen van Couperus zélf door in de woorden van de dominus. Want is het niet wat anachronistisch dat een theatermaker uit de klassieke oudheid in de bres springt voor het l’art pour l’art-principe?

Het lijkt erop dat de dominus door Couperus met vooruitwerkende kracht wordt opgevoerd als woordvoerder van een gedachtegoed dat typerend is voor een tijdperk waarin men, juist na eeuwenlange overheersing door die ‘filozofische dweperij’, zich herbezint op de waarde van het christendom en een autonome plaats bevecht voor de kunst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *