Intuïtie als leidraad. Een vraaggesprek met Alex Verburg

Alex Verburg (Den Haag, 1953) verwierf in de jaren tachtig bekendheid als interviewer van nationale en internationale beroemdheden. In 2001 beschreef hij als biograaf Het voorlopige leven van Liesbeth List. Verleden jaar debuteerde Verburg als romanschrijver met Het huis van mijn vader, een melancholieke evocatie van een gezinsleven in de jaren vijftig en zestig en een subtiel portret van een opgroeiende jongen die een bijzondere relatie krijgt met zijn leraar.

U bent praktisch vanaf het eerste uur donateur van het Louis Couperus Genootschap en een groot liefhebber van Couperus’ werk. De stijl en toon van uw roman Het huis van mijn vader is ingetogen en mooi aangepast aan de belevingswereld van de hoofdpersoon – een kind dat opgroeit tot puber – maar staat mijlenver af van Couperus’ vaak bloemrijke, soms pompeuze manier van schrijven. Wat kan het werk van Couperus voor een modern auteur nog betekenen? Heeft u zich door Couperus laten inspireren en zo ja, op welke manier?
    ‘De stijl van Couperus valt niet te imiteren, die is zo uniek en tegelijk ook zo verweven met zijn eigen tijd. Het zou potsierlijk worden als een schrijver nu zou proberen hem na te doen. Maar een modern auteur kan wel veel leren van Couperus, daar ben ik van overtuigd. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ritme en de klank van de woorden. Ook als je meer ingetogen schrijft, kan dit een bron van inspiratie zijn. Verder denk ik aan de manier waarop hij een lezer als het ware dwingt door te lezen. De opbouw van vooral de romans met een langere adem vind ik grandioos. Hoe doet hij dat in ’s hemelsnaam? Ik zou het niet weten. Hij was natuurlijk een geboren verteller en ik denk dat hij niet met strikte schema’s heeft gewerkt. Ik weet daar eigenlijk niets van, maar ik vermoed dat hij zijn boeken op de stroom van de inspiratie heeft geschreven.’

Geschikte openingszin
‘Voor Het huis van mijn vader heb ik vooraf ook geen opzet gemaakt. Het was de zangeres Aafje Heynis die vond dat ik me aan het schrijven van een roman moest zetten. Haar opmerking kwam op een moment dat ik aanliep tegen het zogenoemde formatdenken dat overal opdook en dat ook in de journalistiek steeds meer terrein begon te winnen. Het klassieke interview – waar toch wel enig vakmanschap voor nodig is en waar ik me vrij bedreven in voelde – moest steeds vaker wijken voor lullige vraaggesprekjes waarin Paul Witteman mocht vertellen wat er op zijn nachtkastje lag. Dat bracht ik niet op. Dus daags na dat gesprek met Aafje Heynis ben ik achter mijn bureau gaan zitten, heb denk ik zo’n drie kwartier gezocht naar een geschikte openingszin en daarna heb ik mijn gevoel gevolgd en ging het schrijven bijna als vanzelf.
    ‘Bij mijn roman in wording, die begin juni 2004 verschijnt, gaat het al net zo en ook als ik terugkijk op de interviews die ik heb gemaakt en op de totstandkoming van het boek dat ik op verzoek van Liesbeth List heb geschreven over haar leven, was het eigenlijk niet anders: intuïtie is de leidraad. Soms denk ik te weten welke kant het opgaat, maar dan ineens dringt zich iets op wat sterker is en loopt het toch weer anders. Op een receptie werd me eens gevraagd hoe het me afging met de schrijverij. Ik antwoordde dat het was alsof er thuis een geliefde op me wachtte die me straks weer van alles ging vertellen. Dat geeft mijn gevoel erover goed weer.
    ‘Waarin Couperus me verder heeft geïnspireerd, is de relatie tussen de stemming waarin de personages verkeren en de omringende natuur, de wisseling van de jaargetijden. Dat is in Eline Vere al heel sterk. Hij had een bijzonder vermogen sferen te suggereren. De gemoedsstemmingen krijgen des te meer reliëf in het decor waarin hij ze plaatst, de omgeving, de seizoenen, de gure wind in Den Haag, de zomer op de Horze. Als je kijkt hoe hoofdstukken beginnen: “Nieuwjaar was gekomen met harde vorst…” of “Het regende: een koude, geeselende, Maartsche regen…” Het decor is meteen gezet. De variatie die hij erin aanbrengt, de manier waarop hij het verstrijken van de tijd, de wisseling van seizoenen en sferen voelbaar maakt, dat alles zorgt ervoor dat je als lezer meegenomen wordt in de stroom van gedachten en gebeurtenissen. Couperus blijft zo een bron van inspiratie, ook al kunnen we en mogen we hem niet nadoen.’

Het werk van Couperus speelt een belangrijke rol in Het huis van mijn vader. Olivier leest Floris voor uit Langs lijnen van geleidelijkheid en Legenden van de Blauwe Kust. Floris krijgt later de bundel De zwaluwen neêr gestreken… cadeau van Olivier. Is dit de ode van Verburg aan een groot schrijver, of heeft dit werk van Couperus nog een speciale betekenis in de roman?
   ‘Het is misschien inderdaad een bescheiden hommage aan een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandse geschiedenis. Ik schaam me er niet voor te bekennen dat mijn bewondering soms zeer ver gaat. We hebben hier thuis een grote verzameling eerste drukken. Dat zijn soms ware juwelen vanwege de bandontwerpen. Het is een genot om die boeken in je handen te houden. En toen een paar jaar geleden de stoel en de prullenmand van Couperus werden geveild bij Sotheby’s, heb ik ijverig meegeboden. Maar het ging uiteindelijk zó ver boven de richtprijs, dat ik wel moest afhaken. Zonde, want ik dacht: als ik straks toch eens op zíjn stoel mag zitten schrijven, dan kan het toch alleen nog maar goed gaan?
    ‘In Het huis van mijn vader speelt het werk van Couperus een belangrijke rol, omdat het past bij de figuur van Olivier, zijn manier van denken, zijn non-conformisme, maar ook zijn twijfels, de melancholie die hem vaak bevangt. Voor de jonge Floris staat het werk van Couperus voor de onbekende, geheimzinnige wereld waar hij nog geen weet van heeft, maar die hem fascineert en tegelijk angstig maakt. Het is een wereld die sterk contrasteert met het beschermde en geregelde milieu waarin hij opgroeit, en die zo een rol speelt in zijn toch vrij eenzame zoektocht naar wie hij is.’

Hokjes
Couperus laat zijn meest autobiografische roman Metamorfoze voorafgaan door de volgende ‘waarschuwing’ aan de lezer: ‘(…) En al zoû ik nu schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû niet ik zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.’ Dit voorbehoud wordt heden ten dage nog graag door literaire auteurs gemaakt. Op de omslag van uw roman staat een jeugdfoto van uzelf. Hiermee lijkt u het autobiografische gehalte van uw verhaal juist te benadrukken. Hoe ziet u de verhouding tussen werkelijkheid en fictie in de romankunst in het algemeen en uw roman in het bijzonder?
    ‘Voor mij telt primair of ik fijne uren aan een boek beleef. Ik heb soms moeite met het verzuilde denken dat zo buitengewoon hardnekkig is in Nederland. Al die hokjes, al die categorieën: mag je je na één boek al een schrijver noemen of pas na twee? Kunnen journalisten wel romans schrijven? Hoe autobiografisch mag een roman zijn om nog een roman te heten? Het gaat maar door. Terwijl ik denk: is het een mooi boek dat ik hier in handen heb?
    ‘Voor Het huis van mijn vader heb ik mijn eigen leven als vertrekpunt genomen, dat is ontegenzeggelijk waar. Floris lijkt op mij. Zijn gevoeligheid, zijn kwetsbaarheid, zijn wens om het goed te doen, z’n hang naar harmonie. Er is een moment in het boek waarop Floris’ moeder, terwijl ze staat te koken, vraagt of de bijlessen die hij krijgt nog wel nodig zijn. Zij weet niet dat er tussen hem en Olivier, zijn leraar, een vriendschap is ontstaan die de grenzen van een vriendschap zelfs overstijgt. Floris duikt dan met zijn hoofd in het aanrechtkastje en gaat omstandig en met veel kabaal op zoek naar de zeef voor de appelmoes, in de hoop dat zijn moeder de vraag vergeet. Dat ben ik ten voeten uit. Toch is het boek geen autobiografie. Op een bepaald ogenblik gingen de personages hun eigen weg en dat was heerlijk om te ervaren, die vrijheid.
    ‘In mijn werk als journalist was ik nauwgezet, consciëntieus. Bandopnamen werkte ik bijvoorbeeld integraal uit om tot een zo getrouw mogelijk portret te komen: de lezer moest de geïnterviewde ontmoeten, niet mij. Als schrijver daarentegen mocht ik zomaar met de geschiedenis een loopje nemen, feiten naar mijn hand zetten of zelfs naast me neerleggen als het me zo uitkwam. Ik mocht de waarheid liegen. Ineens ging het niet meer om de werkelijkheid, wel om waarachtigheid.

‘Die jeugdfoto van mij op de omslag was natuurlijk vragen om moeilijkheden. Geen interview of men begon erover, en dus over het autobiografische gehalte. De foto kwam tevoorschijn toen ik mijn boek bijna af had. Hij lag onder in een doos, ik vond hem terwijl ik op zoek was naar iets anders. Het was een schok: dit was zo helemaal de jongen uit het verhaal, zijn beeltenis sloot naadloos aan. Vorm en inhoud werden één. Ik heb hem na lang aarzelen – ik vond het nogal pontificaal, zo’n foto van jezelf – aan mijn uitgever gestuurd en hem de beslissing gelaten.’

Geheimen
U heeft veel bewondering geoogst met uw vraaggesprekken met verschillende nationale en internationale beroemdheden, die onlangs gebundeld zijn in Gelijk het gras – interviews over vergankelijkheid. In 1998 werd u voor uw interviews door het Nederlands Uitgeversverbond genomineerd voor de titel Journalist van het Jaar. Stel nu dat u een vraaggesprek zou kunnen voeren met Louis Couperus: wat zou u hem dan willen vragen?
    ‘Dat zou een lang gesprek worden! Het zou dagen duren, zo niet weken. Ik denk dat ik toch door zou willen gaan op de relatie tussen leven en werken, ook omdat Bastet in zijn prachtige biografie min of meer daarvan is uitgegaan. Hoe ziet Couperus dit zelf? En dan zou ik doorvragen tot in details, over de figuur van Orlando, over zijn jeugd, zijn ouders, zijn relaties. Er zijn zoveel onbeantwoorde vragen. En er zijn zoveel antwoorden die hij toen niet, maar in deze tijd wél zou kunnen geven.
    ‘Anderzijds… Ik las laatst van Frits Abrahams in NRC Handelsblad een mooi stukje naar aanleiding van de Nobelprijs die naar Coetzee ging, de schrijver die weigerde zich in een vraaggesprek rechtstreeks over metafysische kwesties uit te spreken: interviews zouden zich daar niet voor lenen, omdat de tijd voor reflectie ontbrak. “Schrijvers,” zo betoogde Abrahams, “zouden vaker terughoudender moeten zijn over hun bedoelingen, het zou hun werk zoveel geheimzinniger maken, geschikter ook voor een eeuwigdurend debat. Nu worden hun woorden vaak gehanteerd als een laatste oordeel: zó is het bedoeld, discussie gesloten.”
    Dus ach, misschien is het wel goed dat Couperus zijn geheimen met zich heeft meegenomen.’

(Uit: Arabesken 11 (2003), nr.22, p.27-31.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *