Een beetje lief en heel veel leed (Hans Hom: Het eind van het lied)

In Het eind van het lied, de debuutroman van Mann- en Musilvertaler Hans Hom (1942), staan twee echtelieden centraal die elkaar jarenlang in een beklemmende wurggreep houden: ze vechten elkaar de tent uit, maar laten elkaar niet los. Alle ingrediënten voor een wrang pas de deux zijn aanwezig, maar de verteller treedt te uitdrukkelijk op de voorgrond.

Zie ook de voorpublicatie bij Athenaeum.nl.

Eigenaardig aan Homs roman is dat er geen dialogen in voorkomen. Vreemd, want we hebben hier te maken met een onvervalst relatiedrama, waarin de protagonisten elkaar beurtelings aantrekken en afstoten, terwijl verwijten, verwensingen en keukengerei over en weer vliegen. Ik bedoel maar: Who’s Afraid of Virginia Woolf is niet voor niets een toneelstuk.

Niet dat het er bij Hans Hom minder heftig aan toe gaat, maar hij koos voor een totaal andere opzet: telling in plaats van showing. En dat begint nadat Peter voor de zoveelste keer heeft gebroken met zijn grote liefde Asja, en zich verschanst in een boshut, ver van de bewoonde wereld. Daar maakt hij ellenlange wandelingen met zijn hond, en overdenkt hij zijn leven. Zijn hond? Nee, het is en blijft ‘de hond van Asja’; hij paste slechts met enige tegenzin op het dier zolang zij overdag vanwege haar werk van huis is.

Zo zijn andermaal de banden met het verleden niet voorgoed doorgesneden; waar de terriër vroeger letterlijk fungeerde als wig tussen het paar – Asja liet de hond tussen hen in slapen, zodat Peter haar niet te na kon komen – daar zet de goede neus van de viervoeter hem weer op het spoor van zijn ex, en wordt hij uiteindelijk gedwongen zich rekenschap te geven van zijn eigen aandeel in het debacle van hun relatie.

Tot elkaar veroordeeld
Die verhouding begon al niet al te denderend. Stel je voor: mag je eindelijk naar bed met het meisje dat je al een tijd verlangend in het vizier hebt, dan is het eerste wat ze na de geslachtsdaad tegen je zegt: ‘Nu weet ik zeker dat ik niet van je hou.’ Inpakken en wegwezen zou je zeggen, maar het kwaad is dan al geschied: deze mensen blijken tot in lengte van dagen tot elkaar veroordeeld. Wat die twee eigenlijk bij elkaar te zoeken hebben, kom je als lezer niet te weten; Peter is het uit flegmatieke hout gesneden type, en Asja blijft een wat schimmig personage. Mede daardoor komt de gewelddadige wending die hun relatie neemt volslagen uit de lucht vallen. Het wordt kalmpjesweg door de verteller medegedeeld:

‘Hier moet een plaats ingeruimd worden voor de treurige en betreurenswaardige geschiedenis die hij [Peter] liever niet zou vertellen: niet eens aan zichzelf: de geschiedenis van de ruzies, de gevechten, de veldslagen die er gedurende hun eerste samenlevingsperiode tussen hem en Asja werden uitgevochten. (…) De ruzies waarvan daarnet sprake was moeten in dit geval ondubbelzinnig als slaande ruzies worden begrepen (…), waarbij niet zelden bloed vloeide.’

Uit dit fragment blijkt al een beetje dat Hom de beproefde vorm van de dialoog niet heeft versmaad ten faveure van een warmbloedige en soepele formuleerkunst. Zo wild als het er aan toe gaat bij het echtpaar, zo tam is het proza van Hom. Vooral zijn houterige en omslachtige beeldspraak zet de personages onnodig op afstand:

‘Was hun tweede samenlevingspoging tot mislukken gedoemd louter en alleen omdat de eerste op de klippen was gelopen? Waren ze niet vanuit een heel andere vertrekhaven aan een heel andere reis begonnen, lagen de klippen van toen niet ver achter hen? (…) Op z’n zachtst gezegd was deze tweekoppige bemanning tijdens hun eerste reis niet erg stormvast gebleken, en al hadden beide leden sindsdien mogelijk iets gewonnen aan stuurmanskunst, enige twijfel aan hun zeemanschap zou op z’n minst gerechtvaardigd zijn geweest.’

Aldus dobbert het huwelijksbootje nog even verder, terwijl de roman zelf allang schipbreuk heeft geleden.

Oeverloos gemijmer
‘Het eind van het lied’ klinkt pas nadat uiteindelijk ook Asja haar zegje heeft mogen doen over bijna vier decennia een beetje lief en heel veel leed. Tenminste: indirect, want een eigen stem is haar ook in de merkwaardige finale van de roman niet vergund. Deze lezer keek reikhalzend uit naar een stevig contrapunt dat het oeverloze gemijmer van droogkloot Peter in een onverwacht perspectief plaatst. Tevergeefs.

En zo ontbreekt het in de roman ook op een abstracter niveau aan dialoog. De verteller valt volledig samen met de hoofdpersoon; de roman is geschreven in de hij-vorm, maar je zou net zo goed overal waar ‘hij’ staat ‘ik’ kunnen lezen. Wat Peter de hond van Asja stilletjes verwijt, geldt ook voor de verteller: die ligt hinderlijk tussen verhaal en lezer in.

Deze recensie werd oorspronkelijk gepubliceerd op recensieweb.nl. Na de opheffing van de website herplaatst op De Leesclub van Alles.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *