‘Met een vaart van zooveel lyrische kilometers per uur.’ Couperus & de contemporaine kritiek

In september van het jaar 1913 verscheen Couperus’ mythologische roman Herakles. De vijftigjarige auteur beschouwde dit werk zelf als een van de hoogtepunten van zijn oeuvre, maar zijn lezers haalden hun neus op voor de avonturen van de tragische halfgod; het boek werd amper verkocht. Of de kritiek daar debet aan was, valt moeilijk te zeggen. De meningen waren, zoals zo vaak, verdeeld.

Aanvankelijk was Louis Couperus vooral onthutst na de verschijning van zijn ‘zooveelste’. Nog met een ‘zekere teederheid’ ontdeed hij het bezorgde postpakketje met daarin zijn nieuwste boek van het bruin papieren reisjasje, maar toen zag hij tot zijn verbijstering dat het ‘mal en pretentieus gedost [was] in het kleed van een zijner oudere broeders’; uitgever Veen had voor Herakles precies dezelfde band gebruikt als voor de twintig jaar eerder verschenen roman Majesteit!
    Dit wonderlijke staaltje van recycling kon op weinig begrip van Couperus rekenen. Geef hem eens ongelijk. De typografische kenmerken die goed pasten bij een koningsroman (kroon, scepter, rijksbal en -zwaard) waren ter verluchtiging van zijn mythologische roman volkomen misplaatst.

Boosheid en weemoed
Gebruikte ik de term roman? Breek Couperus de bek niet open! Zó had hij zijn ‘mythologische aandoening van schoonheid’ toch helemaal niet bedoeld! Want wat leest de auteur, inmiddels een rolberoerte nabij, als hij die malle band openslaat en een blik op de titelpagina werpt? ‘Herakles. Roman in Twee Deelen.’ In zijn wekelijkse Vaderland-stuk geeft Couperus lucht aan zijn boosheid en moppert hij aldus tegen zijn eigen boek – en natuurlijk indirect tegen zijn uitgever:

‘Als ondertitel, mijn arme kerel, had ik je kunnen noemen: mythologische roman, en dat met zekeren trots, omdat vader misschien wel zoo een vreemd genre heeft uit gevonden. ‘Roman in twee deelen’… neen, dat is niet mooi en bijna even mal als je Majesteit-uniform, maar ik herhaal: oom Veen is een uitgever en met: ‘Roman in twee deelen’, denkt hij, dat je vreeslijk verkoopbaar wordt, wat je, mijn jongste, eigenlijk heelemaal niet bent.’

Dat laatste had Couperus goed gezien. Herakles mocht zich dan wel in dezelfde gedaante hullen als Majesteit, eenzelfde verkoopsucces werd het boek bepaald niet.
    Ter vergelijking even wat cijfers. Majesteit verscheen in 1893, eveneens in twee delen, in een oplage van 3000 exemplaren. Na ruim een jaar was de eerste druk helemaal uitverkocht. Tot Couperus’ dood in 1923 verschenen er vijf herdrukken, waarvan de laatste, uit 1916, een oplage had van maar liefst 10.000 stuks. In totaal werden tijdens Couperus’ leven 20.000 exemplaren van zijn koningsroman verkocht. Als honorarium wist Couperus 1.500 gulden voor de eerste druk en 1.000 gulden voor iedere volgende druk te bedingen.
    Twintig jaar later. Louis Couperus bevindt zich op het hoogtepunt van zijn roem, zoals ook blijkt uit de vele mooie stukken die naar aanleiding van zijn vijftigste verjaardag in de krant verschijnen. Maar die roem betaalt zich niet uit in hoge verkoopcijfers. Zijn boeken worden steeds minder verkocht. Couperus stribbelt nog wel wat tegen, maar moet uiteindelijk zijn Herakles afstaan voor een schamele 400 gulden. Van de naar schatting 1.650 exemplaren die zijn gedrukt, worden er in anderhalf jaar tijd maar 451 exemplaren verkocht. Een herdruk is er tijdens Couperus’ leven nooit gekomen. Het was ook de laatste roman die uitgever Veen van Couperus zou uitgeven.
    En na de boosheid kwam de weemoed. Couperus beschrijft in hetzelfde stuk in Het Vaderlandhoe weinig plezier hij na gedane arbeid eigenlijk nog beleeft aan zijn boek:

‘Zijt ge trotsch? Neen. Ge zijt niet anders dan weemoedig, diep weemoedig, om uw boek, uw zooveelste, dat verkocht zal worden of niet verkocht, en dat gerecenseerd zal worden… goed of slecht. En dan, het is onherstelbaar. Daar ligt het, onveranderbaar: met àl zijne onvolmaaktheden, die zijn de uwe, en die van uw uitgever, en die van den corrector, en die van de zetters, maar vooral, vooral de uwe!’

Verkocht werd Herakles dus nauwelijks, maar kon Couperus dan nog enige troost putten uit de reacties van beroepslezers? Of zagen zij maar al te goed al die ‘onvolmaaktheden’, die niet de uitgever, corrector of zetter, maar alleen de arme schrijver waren aan te rekenen? Nou en of. Over aandacht in de pers heeft Couperus nooit te klagen gehad, maar zelden, of eigenlijk nooit, hieven de critici een eenstemmig loflied aan. Dat was deze keer niet anders, hoewel meteen gezegd moet worden dat het vooral de usual suspects waren die er met hun volle gewicht in gingen. Hun oordeel zal Couperus niet erg verrast hebben.

Pommelende pauken
Neem nu Carel Scharten, die eerder al, samen met zijn vrouw, in een uitgebreid stuk die ándere mythologische ‘roman’, Dionyzos (en in één moeite door bijna al het andere werk van Couperus dat daarvoor was verschenen), tot op de laatste wijnrank afbrandde. [4] Voor Herakles heeft hij aanzienlijk minder woorden nodig, waaronder zowaar nog enkele aardige:

‘Het is (…) een waar virtuoozen-stuk, één voor één alle de werken van Herakles af te handelen en het zóó te doen, dat het bijna nergens eentonig wordt, integendeel, dat het boeit, amuseert en onze bewonderende bravo’s telkens weer afdwingt.’

Het is een compliment dat we vaker tegenkomen in besprekingen van deze roman. Men vindt het vooral knap hoe Couperus erin is geslaagd om zoveel afwisseling te brengen in de beschrijving van de twaalf opdrachten die zijn held als boetedoening moet volvoeren. Toch zijn die bravo’s slechts de opmaat voor een vernietigend vonnis over de roman. En dat oordeel betreft vooral, zoals vaker over werk van Couperus, de taal, de stijl:

‘Het is, twee deelen lang, een onverpoosde opschroeving en uitmergeling van alle de taal-trucs, die maar onder zijn bereik zijn; het klinkt krampachtig als de felle geënerveerdheid, die nog ternauwernood over de innerlijke uitputting zegeviert, van een Richard Strauss, den Virtuoos der Virtuozen. Maar soms wordt het jammerlijk, krimpt de stijl in verminkte Ary-Prins-verstijving. Dan pommelen weer de pauken, schatert het koper, en voor grootheid stelt zich een oorverdoovend hol lawaai……’

Herakles is niets meer dan ‘een enorm kijkstuk’; het werk mist innerlijkheid en diepere waarheid, zo concludeert Scharten.

Woordgestotter
Een soortgelijk geluid, maar dan nog wat scheller, vinden we bij die andere luis in Couperus’ pels: Israël Querido. Geen enkele recensent heeft het werk van Couperus zo systematisch en langdurig de grond in geboord als degene die je met enige goede wil zijn Amsterdamse tegenvoeter zou kunnen noemen. Zowel Scharten als Querido vindt Couperus als feuilletonist nog wel te pruimen, maar voor de rest bedient de auteur zich naar hun mening van ‘een gebrekkige, oppervlakkige stijlmanier, geheel berustende op verworven vaardigheid, op uiterlijke techniek en handigheid’. En dat is volgens Querido ook weer het geval in Herakles.
    Maar voordat hij van leer trekt, complimenteert Querido zichzelf eerst nog even met het vermeende feit dat hij de eerste onder de critici was ‘die dit schoone bedrog van taaltrucs en klinkklank ontmaskerde’:

‘Schreef ik niet zelf reeds jaren terug, dat men kristalklaar zou kunnen bewijzen waarom Couperus eigenlijk in hoogeren zin geen stijl heeft; dat veel in hem is, een verwilderde virtuoziteit, klank-obsessie, van een overspannen brein, woordgestotter van een, voor een deel geparalyseerd verbeeldingsmensch.’

Welk werk je van Couperus ook leest, je komt die zelfde ‘jongleerende bluf van een goochelvlug en handig woord-kunstenaar’ tegen, steeds ‘zingt ons een zoete klankmolligheid de ooren in’ en dat ‘met een vaart van zooveel lyrische kilometers per uur’. Enzovoort, enzovoort. Aangezien Couperus nu eenmaal Couperus is, ongeacht welk boek ter bespreking op tafel ligt, acht Querido zichzelf blijkbaar ontslagen van de taak serieus op diens roman zelf in te gaan. Sterker nog: na jarenlang ingehakt te hebben op het werk van zijn Haagse confrater, lijkt hij met zoveel woorden de handdoek in de ring te gooien:

‘Wat deert hem ’t gecriticaster rond dit werk? Het blinkende, opgesmukte en zwaaiendzwierige, het bluffend-virtuoze en bedwelmend-klinkklangige, heeft altijd zijn liefde gehad. In plaats van te vitten, heeren – zoo stel ik mij Couperus rap-causeerend voor – leer het liever indeelen als een vaste eigenschap van mijn kunstenaarspersoonlijkheid. Of jelui nu schimpt, veroordeelt en ontleedt, ik blijf werken en zoo ’t mij ’t beste en liefste lijkt.’

Querido eindigt zijn recensie dan ook met: ‘Gij hebt gelijk, uw wil overwint.’ Wat hem er overigens niet van weerhield om Couperus tot zijn dood op dezelfde opgewonden toon kritisch te blijven achtervolgen.

Juweel van taalplastiek
Ondanks ‘enige maniërismen’ is de stijl van Herakles beter besteed aan Frits Lapidoth, een criticus die ook veel werk van Couperus heeft besproken, maar meestal een heel wat bedaagdere en genuanceerdere toon aansloeg:

‘Niet grootsch door soberheid is Couperus. Hij kàn niet sober zijn. De woordbron borrelt en borrelt en de woordstroom vloeit heel breed uit, twee deelen breed. Is het tè breed voor de beschrijving van al Herakles’ reuzewerken? te breed voor een psychologie van een halfgod? Neen, voorzeker en dit vooral daarom niet, omdat Couperus met goed gevolg er naar heeft gestreefd zoveel mogelijk afwisseling te brengen in zijn beschrijvingen en omdat elke daarvan een juweel van taalplastiek geworden is.’

Hij stelt dat de auteur de oudheid niet wezenlijk anders aanschouwt dan het toenmalige Den Haag: ‘De goden en de halfgoden ziet hij niet minder scherp dan de families uit de “Boeken der kleine Zielen” en “Van oude Menschen”.’ Lapidoth ziet Herakles dan ook vooral als een modern epos, waarin de oudheid zélf niet zozeer tot leven komt, maar voornamelijk gestalte krijgt door de visie van een ‘zeer modernen dichter’.
    Over dat ‘moderne’ wil criticus H. van Loon ook iets kwijt, zij het in negatieve zin:

‘Nu, modern is ’t geworden, in zooverre als Gilbert of een ander operetten-fabrikant de ‘Antigone’ of ‘Hamlet’ aan dezen op dat soort muziek belusten tijd zou kunnen aanpassen. Deze marsepeinen Heracles met zijn mallotige aarzelingen en Wertherachtige ‘schwärmereien’ (…) heeft met de echte belichaming der spierenweelde (…) niets dan den naam gemeen.’

Ook classicus Koenraad Kuiper, recensent voor Onze Eeuw, onderkent de moderne opzet van het verhaal. Hij laat zich hierbij leiden door het feit dat er nu eenmaal ‘roman’ op de titelpagina staat: ‘Zoo heeft de schrijver gewild dat wij het zouden noemen (…).’ Hij moest eens weten…
    Toch waardeert Kuiper het nu juist dat Couperus zo consciëntieus met de Griekse stof is omgesprongen:

‘Deze gansche Herakleia, dit rijke Heraklesleven, zich openbarend in den geheelen overgeleverden schat der oudheid, heeft Couperus opgenomen in zijnen geest en aandachtig bewaard. En toen hij nu uit die wemelende en veelkleurige massa zijnen Herakles vormde, behandelde hij zijne kostbare grondstof met al de piëteit van eenen smaakvollen kenner, zoodat Helleensch bleef wat Helleensch was (…).’

Net als Scharten heeft Kuiper waardering voor de vakkundige wijze waarop Couperus de valkuil der eentonigheid omzeilt:

‘Lang is die weg, en breed opgezet is de roman dien Couperus aan zijne beschrijving heeft gewijd, maar geen sprake is er van eentonigheid. Zóó vindingrijk is door den dichter aan ieder der strijdtafreelen eigen vorm en kleur gegeven, dat in telkens andere stemming de geweldige held ons meevoert op zijn pad, in steeds hoogere mate ons medegevoel innemend.’

Overigens was Kuiper de enige recensent die de knoeperd van een drukfout opmerkte in de titel op de vermaledijde band. Alsof de uitgever het nog niet bont genoeg gemaakt had, staat ‘Herakles’ gespeld als ‘Herackles’. Vreemd genoeg was dat Couperus zelf niet eens opgevallen; hij zegt er althans niets over in zijn tirade tegen zijn uitgever.

Roman of geen roman?
Die andere faux pas van ‘oom Veen’, de verkooptechnische ondertitel, was ook van veel groter belang. Misschien dat het ons als moderne lezers worst zal wezen, maar de recensenten van toen werden door die kwalificatie toch danig in de war gebracht. Couperus’ misnoegen komt dan toch in een iets ander daglicht te staan. Die verwarring blijkt het duidelijkst uit de bespreking van J. Speelman, die zich afvraagt waarom Couperus eigenlijk voor de romanvorm heeft gekozen:

‘In den roman ligt de helderheid van wat nabij voor onze oogen gebeurt; over het epos het waas van wat verre in het verleden geschiedde. Had episch waas, epische atmosfeer deze mythologische stof niet beter gestaan? Zoo, dat de fantasie kon aanvullen wat wazig in verschieten vervloeide?’

De romanvorm haalt de halfgod, naar de smaak van Speelman, te dichtbij, en maakt hem al te menselijk. De held verwordt bij Couperus tot een ‘domsterke reus, een menschelijke reus, een beroepsworstelaar met kroezig haar over laag voorhoofd’. De auteur wil te veel psychologiseren en sympathie opwekken bij de lezer, wat ten koste gaat van het mythische gehalte van de stof.
   Verderop in zijn recensie maakt Speelman een vreemde ommezwaai: het boek ís bij nader inzien ook helemaal geen roman, maar ‘(…) een aaneenschakeling van kleine novellen of tableaux-vivants, elk met een zeer verzorgd achterdoek. De totaalachtergrond van een cultuurperiode (….) ontbreekt’.
    En waar Scharten en Kuiper nog applaudisseerden voor Couperus’ behendige ordening van de verhaalstof, daar houdt Speelman zijn armen stijf op elkaar:

‘De opeenvolging van de vele, elk voor zich fijnverzorgde, maar alle van hetzelfde penceel afkomstige détail-tafreeltjes vermoeit ook nog: vermoeit zeer. Van aanvang tot einde hetzelfde procédé in eene lange rij van losse stukjes: het is wat veel.’

Diezelfde mening is de anonieme recensent van Het Nieuws van den Dag toegedaan, die de voorpublicaties van Herakles in het tijdschrift Groot Nederland bespreekt:

‘Hoe vol schoonheden dit werk ook moge zijn, wij zouden wenschen (maar durven niet verwachten) dat de auteur – met een haast bovenmenschelijke zelfverloochening – er de schaar eens inzette, voordat hij het liet uitgeven als boek.’

En als het boek uiteindelijk verschenen is, herhaalt de anonymus in een afsluitend stuk zijn of haar bezwaren nog eens, maar veegt vervolgens met een joyeus gebaar alle voorbehoud van tafel en eindigt met:

‘De bewondering voor den modernen Nederlander, die de wereld der Oudheid zóó voor ons weet te doen herleven, verdringt ten slotte alle bedenkingen. (…) Ware ons taalgebied niet zoo beperkt, Couperus zou alleen reeds met zijn Antiek Tourisme [sic], Herakles enz. een gewaardeerde figuur in de wereldliteratuur geworden zijn.’

J. Walch doet in Couperus’ ‘eigen’ krant, Het Vaderland, een vergelijkbare duit in de zak:

‘Hier herleeft de oudheid in haar lieflijkheid, haar klaarheid, haar sterke schoonheid, en brutale schoonheid… want schoonheid, die vermeent een eigen recht te hebben, hoe is ’t mogelijk! Het is de klassiek-mythische wereld in al haar blijheid, in al haar schoone natuurlijkheid, in haar aldoor gevoeld verband met de goden en godinnen. Het is een realisme, dat idylle is.’

Realisme, dat idylle is… Raakt Walch hier niet aan de kern van wat Couperus bij het schrijven van zijn Herakles voor ogen stond? Het lijkt er wel op, als we ook nog even de auteur zelf aan het woord laten. In een interview werd Couperus gevraagd welke boeken hij tot zijn beste rekende. Majesteit, de roman die hem zoveel succes had gebracht, in ieder geval niet. Nee,

(…) ik ben vooral fier op mijn mythologische romans… op Herakles bij voorbeeld… misschien mijn beste boek… En ‘t is een genre dat ik zelf geschapen heb… (…) Ik zie de mythologische helden als bepaalde menschen, als mannen en vrouwen uit mijn omgeving… maar toch blijven ze in halfgoddelijke atmosfeer schuilen, al verlang ik soms familièrement bij hen te logeeren… (…) ’t Zijn vizioenen van schoonheid… half-goden die vermenschelijkt zijn…

Wat hij eerder in Dionyzos al had geprobeerd, wist Couperus in Herakles echt te bereiken: de ultieme symbiose van twee wezenlijke neigingen van zijn schrijverschap. In dit merkwaardige boek over de wederwaardigheden van een tragische halfgod schudden Couperus de realist en Couperus de idealist elkaar broederlijk de hand.
    Veen maakte zijn blunder overigens op charmante wijze goed. Na de boutade van Couperus in Het Vaderland liet de uitgever voor zijn auteur een speciaal exemplaar drukken van Herakles. In perkamenten band met goudopdruk, in één deel. Dit gebaar viel bij Couperus in bijzonder goede aarde.
    Was er eerst boosheid, en vervolgens weemoed, met de jaren groeide bij Couperus dan toch de trots. Trots op zijn ‘zooveelste’. 

(Uit: Arabesken 21 (2013), nr.41, p.50-57.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *