Het kleine groot en het verre dichtbij (Kees van Kooten: De verrekijker)

Dit is een estafetterecensie. Gaandeweg de Boekenweek verschijnen hieronder bijdragen van andere recensiewebredacteuren. Daan Stoffelsen begint. Lees daaronder ook de mening van Annette Jenowein, Suzanne van der Beek, Carmen Meuffels, John Hermse en Peter Hoffman.

Het boekenweekgeschenk 2013 begint en eindigt met het raadsel van de confiscatie van Van Kootens verrekijker. Een erfstuk, dat zijn vader tijdens de oorlog zou hebben gevorderd – onrechtmatig? Tussendoor gist hij naar de toedracht, voert hij warme betogen voor het fysieke boek en het handschrift (en het dubbelspel!), haalt hij mooie herinneringen op aan zijn jeugd en zijn ouders, en is hij vooral geestig en onderhoudend. Zijn kwaliteiten als typetjesacteur (de kunst van de herhaling, overdrijving) en als chroniqueur van het eigen en andermans leven (het oog voor detail, eigenheid) betalen zich uit, maar zijn eerste stappen op het gebied van echte fictie zijn wat eigenaardig.

Met de verrekijker, een erfstuk, een zwaar ding, sleepte de kleine Kees al rond. Hij gebruikte het ding meer als vergrootglas voor tafelpoten en verfblaasjes op de plint dan voor de verte. (Waarmee Van Kooten meteen een beeld geeft van wat hij wil doen in dit boek: het kleine groot maken. En, in mindere mate, het (historisch) verre dichtbij halen.)

Maar de verrekijker duikt ook op in het oorlogsplakboek van zijn vader, sergeant, op een briefje over eis tot schadevergoeding ‘door den Heer J. Treurniet’ voor een gevorderde veldkijker. Het briefje is de aanleiding voor een zoektocht naar de omstandigheden van die vordering, en het niet teruggeven. Van Kooten bewandelt daar wel wat omwegen voor – hij neemt onder andere stelling in over leeftijden, handgeschreven brieven en het opruimen van boeken -, maar lijkt zijn doel bereikt te hebben in een drietal scenario’s rond die vordering.

Echte fictie
Fictie, daarvoor tekende Van Kooten toen hij de opdracht vorig jaar aannam. Maar het gaat hem minder goed af dan de anekdotes uit eigen leven. Neem de opening van het tweede scenario (de vrouw van J. Treurniet geeft de kijker zomaar weg aan sergeant Van Kooten):

‘Netty Treurniet keek zenuwachtig op haar Prisma-dameshorloge. Kwart over tien pas. Haar beste vriendin, Diana de Boer, had een afspraak om halfelf, dus ze hoefde zich niet te haasten. Gepraat werd er al genoeg in Berkel en Rodenrijs, dus vooral niet linea recta tot op honderd meter van de tandheelkundige praktijk stiefelen, maar op d’r dooie akkertje wandelen, paar keer stoppen onderweg, Jans verrekijker af en toe quasibelangstellend op de wolken richten en hier en daar wat madeliefjes plukken.’

Voor- en achternamen noemen en té uitgewerkte details, dat trekt je niet bepaald in het verhaal. Waarom überhaupt die eerste zin? Die tweede drukt alles uit: de tijd en de teleurstelling. Of mis ik de dubbeldikke ironie? Van Kooten vervolgt met een het cliché van een Bouquetreekscliché:

‘Vanmorgen om vijf uur was ze al wakker, want hij wou maar niet uit haar hoofd. Mijn hemel, wat een knappe man was die nieuwe tandarts me daar toch! Er zo op-en-top uitzien als een filmster maar toch wel degelijk een echte dokter zijn.’

Geestig
Dat overvloedige, spreektalige gebruikt Van Kooten ook in de andere twee scenario’s. Welke literatuur wil hij parodiëren? Of moet ik daarvoor terugbladeren naar Van Kootens uitweiding over de boekenkast van zijn ouders, waarin hij M.H. Székely-Lolofs en Jan de Hartog ophaalt? (Of zelfs naar zijn essay in Hartstochtjes waarin hij de boekenkasten leeghaalt?) Zeg maar: de Gouden Eeuw van de zwarte bladzijden in de Nederlandse literatuur?

Antwoorden zijn welkom.

Het zou wel passen in een patroon dat Van Kooten succesvol door De verrekijker weeft: herhaling, herhaling, herhaling. Deze grap wordt alsmaar grappiger, naarmate Van Kooten meer cijfers boven de honderd laat terugkomen:

‘Ik moest afstappen van het hooghartige waanidee dat ik nog alle tijd had.

[…]

Onze onsterfelijke Gerrit Komrij zei dit als eerste, in 2009, toen hij vijfenzestig werd: “Ik ga voor de honderdentien! Dat is nog binnen de grenzen van het mogelijke.”

Heden ten dage is honderdentien immers het oude negentig en negentig is het voormalige zeventig en vijftig het vroegere dertig, enzoterug, enzovoort. En honderddertig is het oude honderdtien, op vrijwel alle weggedeelten.’

Of de terugkeer van Berkel en Rodenrijs op de gekste plekken, vertypingen als ‘kleeftijd’, en de frase ‘om de gedachte te bepalen’. Ook leuk: zijn karakterisering van zijn eigen diensttijd als ‘twee vogelvrije gouden jaren’ misgelopen, een veroordeling tot ‘654 inktzwarte bladzijden’. Of zijn ‘eerlijke’ bekentenis dat hij ‘heimelijk pissig’ is dat hij ‘nog altijd geen lintje’ gekregen heeft, een mooie literaire gemeenplaats (denk aan P.F. Thoméses ‘nobelprijskandidaat’ in zijn Kesselsromans, en Ilja Leonard Pfeijffers ‘beroemde dichter uit het vaderland’).

En dat Van Kooten kan schrijven, om mijn twijfels over de ‘fictie’ maar nog wat aan te wakkeren, blijkt al uit de spelregels voor ‘dubbelspel’, een erotisch samenzijn zonder penetratie. Daarbij moet onder andere de man zijn handen op haar borsten leggen (‘die u tevoren heeft gewassen’), en net als je verwacht dat het eigenaardige standje ontaardt in wilde seks: ‘Eenmaal terug in Holland keurig samen trouwen, haar nooit meer loslaten en elkander regelmatig stukjes voorlezen.’ Mooi: het deksel op de wellustige neus, een uitsmijter eerste klas.

Grappig, geestig, aardig – niet hilarisch of pijnlijk. Dat hoeft ook niet. Dit is geen hoge literatuur, dit is een goed uitgewerkt cadeauboekje, dat zelfs nog interessante vragen oproept.

De ommetjes van Kees van Kooten

door Annette Jenowein, 18 maart 2013

Tja, had je het als recensent altijd maar zo eenvoudig: Daan bijt het – de? – spits af en de volgende die het pennetje overneemt mag zoetjes wat verderdobberen op zijn overwegingen.

Kan Van Kooten schrijven? Wis en waarachtig, maar, om met een veelgebezigde quote van Arie Storm – kampioen van de chagrijnige recensies – te spreken: literatuur zal het nooit worden. Wel zal het storm lopen in de boekwinkels deze week. Wie wil er nou niet een gratis boekie van Kees van Kooten? Dat je daarvoor wel eerst iets anders van de bestsellertafel moet grissen, dondert niet wat, als het maar niet de drooggevallen Renate Dorrestein is, moet je maar op de koop – grapje! – toe nemen. En daarmee is dan toch het doel van het CPNB bereikt: er is weer een boek verkocht.

Leeskluif
Maar komaan, niet zo cynisch doen. Kees bezorgde mij – geen fan van zijn Modermismen, wel van zijn Simplisties Verbondtypetjes – tijdens een verkouden weekend toch veel genoegen met zijn boekie. Hierin houdt hij een liefdevolle hand boven vaders hoofd en dolt hij tegelijkertijd lekker met allerhande gedachtespinsels. Knap gedaan, want zijn ommetjes langs zijn eigen jeugdtrauma’s riepen bij mij meteen het beeld op van de plattegrond van de Amsterdamse grachtengordel: welk zijstraatje je ook neemt, je komt toch altijd weer op een van de singels terecht. Zo presenteerde Van Kooten toch nog een hele leeskluif aan lezers die van dat van de hak-op-de-tak-springen minder gediend zijn.

Kon je bij de acteur Van Kooten geamuseerd achteroverleunen, bij de schrijver Van Kooten dien je wel bij de les blijven. Vooral bij het lezen van de mogelijke scenario’s van de toedracht van de gevorderde verrekijker wordt wel de nodige soepelheid van geest van de lezer verwacht. En een beetje tolerantie, want we hebben Van Kooten wel eens briljanter bezig gezien. Maar Godezijdank is de bekende brille in andere passages nog wel volop aanwezig, waardoor het ‘vroeger-was-alles-beter’-gehalte van een oude zeurkous zeer wel te pruimen valt.

Toen het leven nog simpel was

door Suzanne van der Beek, 18 maart 2013

Die ‘overvloedige, spreektalige’ manier van schrijven waar Daan hierboven aan refereert, parodieert volgens mij niet eens zozeer het oeuvre van een bepaalde schrijver, maar verwijst naar een vorm van vertellen over tijden waarin het leven nog simpel was. De vrouwen waren allemaal verliefd op de tandarts, omdat hij dubbel knap was: én hij had gestudeerd, én hij bezat een filmsterrenuiterlijk. De jongetjes waren verliefd op de mysterieuze vrouw met haar sigaretten. En zijn vader was zonder meer een eerlijk man, die op een eerbiedwaardige manier aan zijn verrekijker is gekomen. Van Kooten lijkt trouw te zijn aan dit beeld van het verleden, zoals hij ook trouw is aan dit beeld van zijn vader.

Verdwenen
Door deze loyaliteit staat Van Kooten wantrouwend tegenover alles wat modern te noemen is. Het relaas dat hieruit volgt is iets al te voorspelbaar. Al zijn typeringen van de tijd waarin we leven staan in het teken van één thema: het is allemaal verdwenen. En als het nog niet verdwenen is, staat het wel op het punt te verdwijnen. Weg is de romantiek van samen een (papieren!) boek lezen, weg de Gluton-lijm die met een kwastje werd aangebracht, weg de verplichte korte broeken voor jongens, en weg de mogelijkheid om iemands karakter te distilleren uit een brief, omdat het handschrift altijd de schrijver zal verraden. Romantiek in de nieuwe technologieën kan hij niet vinden: Facebook en Twitter zijn leugenachtig, en tablets fungeren als maskers waarachter de moderne lezer zich verschuilt.

Het boekje is fijn om te lezen en Van Kootens zoektocht leidt ons lang een reeks geestige observaties en aandoenlijke familieverhalen. Hij laat het verre inderdaad weer even dichtbij zijn, maar slaagt er niet in om het heden zichtbaar te maken.

Aanhoudend gedweep met het verleden

door Carmen Meuffels, 20 maart 2013

Anders dan zij die mij voorgingen in deze estafetterecensie, had ik nog nooit iets van Van Kooten gelezen. Daan noemt het boekenweekgeschenk ‘geen hoge literatuur’, maar wel ‘grappig, geestig, aardig’. Zijn (gematigde) enthousiasme deel ik niet. Zonder het geheel meteen de grond in te boren, zou ik de aandacht willen vestigen op wat mij niet beviel aan het boekje: ik vond het bij vlagen ergerlijk, voorspelbaar (of ergerlijk voorspelbaar, hoe u wilt) en pretentieus.

De eerste keer dat Van Kooten uitweidt over Hoe Vroeger Alles Beter Was, is inderdaad nog geestig. Ook zijn schets van de kringloop van modeverschijnselen (wat vroeger gewoon was, is nu opnieuw hip) is aardig, met name wanneer hij het over bewerkte foto’s heeft: ‘Wat dit laatste betreft heb ik nog een vriendelijk verzoekje: moge grootouders in den vreemde alstublieft weer gewone, onbewerkte foto’s van hun kleinkinderen krijgen toegezonden, liefst in zwart-wit, maar in elk geval niet vervreemdend gepimpt in zogenaamd nostalgische kleuren?’

Banale anekdotes
Al gauw wordt dit aanhoudende gedweep met het verleden echter voorspelbaar en daardoor ergerlijk. Van Kooten komt dan over als een karikaturale, verbitterde opa die de moderne maatschappij hoofdschuddend aanschouwt vanuit zijn fauteuil, terwijl hij zijn narratief over de geconfisqueerde verrekijker blijft onderbreken met banale anekdotes.

Het concept is bekend: de auteur speelt een spel met zijn lezer en kijkt op metaniveau over diens schouder mee, gniffelend om de verzonnen feiten die hij in zijn verhaal heeft gestopt om hem te misleiden, tevreden toekijkend terwijl de lezer allerlei irrelevante zijpaadjes bewandelt (hoe anders was dit in Lanoyes boekenweekgeschenk van vorig jaar, waarbij de kracht juist – onder meer – in de veelheid aan verhaallijnen school). De verleiding om mee te spelen is voor mij in dit boekenweekgeschenk echter niet groot genoeg.

Gekleuter

door John Hermse, 21 maart 2013

Voor de ongeoefende gebruiker van de verrekijker duurt het wel even voordat hij een koe in het weiland in beeld heeft. Met blote ogen zag hij het beest duidelijk in de verte staan, maar het beeld dat de verrekijker biedt, zweeft eerst langs alle bloemetjes in het gras, een kievit, paaltjes van de omheining en nog een andere koe, voordat eindelijk die ene koe hem recht in de ogen kijkt. En dan moet hij nog scherpstellen ook.

In zijn boekenweekgeschenk wil Kees van Kooten het mysterie over de verrekijker van zijn vader ophelderen. Maar dat valt nog niet mee als hij met zijn ‘ingebouwde verrekijker’ langs allerlei kleine zaken zwerft die hij overdreven uitvergroot, zoals Van Kooten eerlijk toegeeft. ‘Dit moet ik onder ogen durven zien’.

Had hij dat maar gedaan! De ingebouwde verrekijker beweegt zich eindeloos langs uitgebuite kamermeisjes, de schoonheid van het handschrift, prijzen van 99 cent, en meer van dat gekleuter. ‘Hier! Vertik ik het weer!’ schrijft Van Kooten als hij ‘per geluk’ ‘kleeftijd’ in plaats van ‘leeftijd’ tikt.  Een vertikking die hij graag laat staan, want hij bekent ‘dwangmatig woordspelig’ te zijn.

Nu heb ik daar zelf geen last van, maar op mijn beurt laat ik ‘gekleuter’ graag staan en ‘per geluk’ ook, niet omdat het dolkomisch is, maar omdat in het geleuter van zijn ingebouwde verrekijker vooral Van Kootens jeugd in beeld komt, vanaf zijn kleutertijd. Want dat is zijn ‘kleeftijd’, de leeftijd waar hij steeds naar terugkeert.

Dwaalwegen
Uiteindelijk komt die vader wel scherp in beeld en leren we door al die dwaalwegen van de verrekijker niet alleen hem kennen, maar ook de wereld waarin zijn zoon Kees opgroeide. Maar hoe komt het dat we daar niet langer naar willen kijken dan naar die koe, die dan eindelijk voor de lens van de verrekijker verschijnt? Omdat we die koe al duizendmaal hebben gezien en dus wel weten hoe een koe eruitziet.

Een schilder die een koe op het doek zet, moet die koe wel zo schilderen dat je er langer naar blijft kijken dan naar al die koeien in de wei. Een schrijver die zijn jeugd schildert, moet wel zorgen dat zijn verhaal zo bijzonder is dat we er langer naar blijven luisteren dan naar de levensgeschiedenis van Jan Modaal.

Van Kooten kán dat wel. Hij deed het al met Wim de Bie in het liedje ‘1948’ (Toen was geluk heel gewoon). Een liedtekst waarin de gemeenplaatsen zo goed achter elkaar geplaatst zijn dat de valsheid van het nostalgische beeld tussen alle regels door kiert, want zo gezellig was het vlak na de oorlog nou ook weer niet.

Maar dat was Van Kooten de tekstschrijver. Met zijn liedjes en sketches stond hij op grote hoogte. Was hij daar maar gewoon blijven staan, hoog verheven boven de middelmaat waar hij als boeken(weekgeschenk)schrijver niet bovenuit steekt.

De verkeerde kant van de verrekijker

door Peter Hoffman, 23 maart 2013

Laat Kees van Kooten uit zijn eigen werk voorlezen, zoals hij deed aan de vooravond van de Boekenweek in een veelgeroemd optreden in De wereld draait door, en je vangt een glimp op van wat hem als televisiemaker zo onweerstaanbaar maakte. Het zal ‘m wel met name zitten in het schalkse (typisch Van Kooten-woord overigens), nog steeds jongensachtige voorkomen van een briljant acteur, causeur en charmeur, die precies weet wat een camera van hem verlangt.

Want hoe valt het anders te verklaren dat diezelfde tekst op eigen benen zo’n sleetse indruk maakt? Hij doet me in dit verband een beetje denken aan Godfried Bomans, die andere nostalgicus van weleer, die achteraf als televisiepersoonlijkheid veel beklijvender blijkt dan als auteur van wat belegen geworden boekjes.

Maar het is zoals John Hermse hierboven stelt: waar Van Kooten in zijn televisiewerk een scherp oog en oor had voor dooddoeners en platitudes (de Klisjeemannetjes!), daar trapt hij als schrijver vol in de door hem zelf gedraaide, nostalgische drol.

Verbodsbepalingen
Het vreemde is: hij lijkt zich er zelf van bewust. Zo staan boven aan bijna elke bladzijde handgeschreven vermaningen, die lijken te dienen als verbodsbepalingen voor de auteur die maar al te goed zijn eigen valkuilen kent.  Bijvoorbeeld: ‘zeggen noch schrijven dat sterven niet de dood is maar het laatste stukje leven.’ Of:  ‘zeggen noch schrijven dat ook de atheïst een God nodig heeft, al is het maar om hem te ontkennen.’ Dat moet natuurlijk een keer misgaan. Op de laatste pagina staat: ‘zeggen noch schrijven dat plotseling, eindelijk of ineens het kwartje viel of valt.’ En ja hoor, wat lezen we in de tekst daaronder?

‘Ik laat de kijker zakken, op mijn knieën.
En dan valt het kwartje, of liever gezegd: de zilveren knaak rinkeldekinkelt.’

Hoe flauw op zichzelf ook, het taalbewustzijn is er blijkbaar nog steeds, maar die ironische gave strekt zich helaas niet uit tot het niveau van het verhaal. Die drie scenario’s die de verteller bedenkt om zijn vader vrij te pleiten, en die in feite de ruggengraat van het boek zouden moeten vormen, vallen inhoudelijk en stilistisch wel erg magertjes uit. En over Van Kootens parmantige gepalaveer tussen die passages door is hierboven al genoeg gezegd.

Met nostalgie is op zichzelf niets mis. Goede literatuur wordt zo vaak geboren uit weemoed, als startpunt van een wanhopige zoektocht naar de Verloren Tijd. Wat dat betreft had Van Kooten goud in handen. Had hij maar wat vaker door de verkeerde kant van zijn verrekijker gekeken; een afstandelijkere blik zou dit boekje ten goede zijn gekomen.

Deze recensie werd oorspronkelijk gepubliceerd op recensieweb.nl. Na de opheffing van de website herplaatst op De Leesclub van Alles.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *