De drie meest gehoorde vooroordelen over Louis Couperus

Telt Louis Couperus (1863-1923) nog wel mee in de Nederlandse letteren? Worden zijn boeken nog gelezen? Natuurlijk: sinds jaar en dag heeft hij een prominente plaats in de officiële handboeken en literatuurgeschiedenissen. Er is een florerend genootschap, een goed bezochte website en een museum aan de auteur gewijd. In Arabesken, het tijdschrift van het genootschap, wordt zijn werk uitgebreid besnuffeld, binnenstebuiten gekeerd, geanalyseerd en van commentaar voorzien. Bovendien worden zijn bekendste romans nog met enige regelmaat herdrukt. Van welke andere Nederlandse schrijver van zijn generatie kan dat gezegd worden?

Je zou dus geneigd zijn de vraag met een volmondig ja te beantwoorden. Maar hoewel ik uit hoofde van mijn functie als bestuurslid van het Louis Couperus Genootschap en redacteur van Arabeskenvaak met gelijkgestemden te maken heb die mijn liefde voor de auteur nog vaker overtreffen dan bevestigen, kom ik ook wel eens in de boze buitenwereld. Zelfs als je die woeste en ledige ruimte lekker overzichtelijk en elitair beperkt tot de kring van degenen die wel eens een boek lezen, worden mij niet zelden glazige blikken toegeworpen als je de naam van Louis Couperus laat vallen. ‘Maar dat is toch die schrijver die…’, en dan wordt er een meestal voorzichtige, maar met onverholen weerzin geformuleerde opinie ten beste gegeven. Maar al te vaak blijken deze oordelen te zijn gebaseerd op een vluchtige en verplichte kennismaking met de auteur in een ver, schools verleden. Hoogste tijd om deze mensen eens van repliek te dienen en hen een tweede kans te gunnen. ‘Maar Louis Couperus, dat is toch die schrijver die…’

1… langdradige en veel te dikke boeken schreef?

Met stip op nummer één. Hoewel langdradig en dik twee heel verschillende kwalificaties zijn, worden ze vaak in één adem aan het werk van Couperus toegeschreven.

Laten we vooropstellen dat Couperus vooral heel veel boeken heeft geschreven. Misschien wel té veel, zo gaf de auteur zelf eens toe. Zelfs de meest dweepzieke Couperus-fanaticus zal desgevraagd willen toegeven dat zijn oeuvre niet uit louter meesterwerken bestaat. En ja, zo zal hij grootmoedig bekennen, ook hij heeft wel eens een boekje gapend terzijde gelegd. Maar naar goed gebruik dienen we een auteur af te rekenen op zijn beste werk. Lees bijvoorbeeld eens het eerste hoofdstuk van De komedianten (1917). Wie daarna nog durft te beweren dat Couperus langdradig of saai is, zou het lezen van boeken voor altijd moeten opgeven. Die pagina’s zinderen van het leven. Het is slechts weinig auteurs gegeven om met woorden zoveel stofjes werkelijkheid te laten opwaaien. Ik denk wel eens dat Couperus, zou hij honderd jaar later geleefd hebben, een briljant

25
regisseur zou zijn geweest. Ik ken geen auteur bij wie woorden zich zo gemakkelijk tot beeld transformeren, en van beeld tot werkelijkheid, of hij nu het Den Haag van rond 1900 beschrijft of, zoals in het genoemde voorbeeld, het Rome van de eerste eeuw na Christus.

Voor lezers die al gaan hyperventileren bij het idee een boek te moeten doorworstelen dat meer dan 150 pagina’s bevat, heb ik goed nieuws: Couperus schreef meer dunne dan dikke boeken. Bovendien was hij een even goede sprinter als langeafstandsloper. Voordat het woord was uitgevonden schreef Couperus columns. In zijn reisbeschrijvingen, persoonlijke ontboezemingen en korte verhalen laat Couperus zich vaak van zijn luchtige kant zien. Luchtig, maar niet vluchtig; in weerwil van de wetten van het genre zijn zijn ‘feuilletons’, zoals ze meestal worden genoemd, tijdloos gebleken.

2… alleen maar door homoseksuelen te genieten is?

Een bespottelijke aanname, maar mij toch in ongeveer deze bewoordingen meer dan eens serieus toegebeten. Toegegeven: Couperus was hoogstwaarschijnlijk homoseksueel. Hoogstwaarschijnlijk, want bewijzen zijn er niet. In die tijd liep, laat staan vaarde men er niet mee te koop. Toegegeven: onder invloed van onze tijdgeest is er heden ten dage veel belangstelling voor de seksuele voorkeur van de auteur en de weerslag hiervan op zijn werk. En inderdaad: de goede verstaander vindt tal van homoseksuele motieven in zijn boeken. Maar wat dan nog? Couperus verkeert hiermee in het illustere gezelschap van grote tijdgenoten als Marcel Proust, Oscar Wilde en André Gide.

Als je goed doorvraagt blijkt dat het meer om Couperus als persoon dan als schrijver te doen is. Zijn imago van geaffecteerde, verwijfde, aanstellerige nicht stuit nog velen tegen de borst. Het zij zo. Ter geruststelling kan ik verzekeren dat zijn boeken niet alleen maar worden bevolkt door frêle freules en slappe mannen. Of zoals de dichter Marsman schreef: ‘Ik zou – je kunt er om lachen of niet – willen volhouden, dat Couperus, de kwast, de zijden, verfijnde dandy, een der weinige kerels is geweest, die in het hollandsch geschreven hebben…’

3… in een achterhaalde, oubollige, pompeuze, geaffecteerde stijl schreef?

Nee, Couperus is geen Nescio, geen Elsschot en geen Hotz. Het adagium ‘less is more’, voor zoveel auteurs een ijzeren leidraad, heeft voor Couperus niet veel betekend. Hoewel zijn stijl even gevarieerd is als zijn onderwerpskeuze, was hij over het algemeen niet erg zuinig met bijvoeglijke naamwoorden en bijzinnen. Voor een natuurbeschrijving nam hij alle tijd. Als hij het nodig vond, maakte hij van twee bestaande woorden één nieuw woord. Deze manier van schrijven, ook wel woordkunst of heel chique écriture artiste genoemd, is door de Tachtigers en vooral hun navolgers voor eeuwig verdacht gemaakt. Sommigen krijgen al jeuk als ze mens als ‘mensch’ of zo als ‘zoo’ gespeld zien staan. Voor hen zijn genoeg uitgaven te vinden in moderne spelling. Ik ken ook iemand die Couperus’ meesterwerk De berg van licht al na een paar alinea’s terzijde schoof, omdat zijn oog bleef haken achter het woord ‘triltintelen’. Voor hem is er geen hoop. Overdaad schaadt niet altijd en kan zelfs functioneel zijn. Couperus’ beste werk is hiervan het overtuigende bewijs. Hij reeg niet de ene zin aan de andere om zichzelfs wille, maar om zijn personages in een overtuigende en levendige wereld te plaatsen. Dat kost de nodige tijd en ruimte. Gun jezelf eens de tijd te wennen aan zijn formuleringen, laat je meeslepen door zijn meanderende stijl en je wordt beloond met vergezichten die je niet eerder hebt aanschouwd.

Tijdens het schrijven van dit stukje werd ik geattendeerd op de website Hyves.nl, een zogenaamde ‘virtual community’ op internet, die vooral veel jongeren trekt. Men was zojuist een discussiegroep over Couperus begonnen. Binnen twee dagen hadden zich al meer dan tachtig leden aangemeld en het aantal groeit nog steeds. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers ligt ver onder de 25 jaar. Men wisselt leestips uit en vliegt elkaar op beleefde wijze in de haren over wat nu het beste werk van Couperus is: zijn historische romans, zijn sprookjes of toch zijn zogenaamde Haagse romans. Zonder tussenkomst van een docent, een genootschap, tijdschrift of andere officiële instantie blijken jongeren de weg naar het werk van Louis Couperus te hebben gevonden. Ik was eerlijk gezegd even verbaasd als verheugd. Dat Couperus nauwelijks meer gelezen wordt, bleek mijn grootste vooroordeel.

(Uit: Boekwinkeltjes.nl 1 (2006), nr.1 (oktober/november), p.24-25.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *