Een kijkje in de keuken van Couperus

Natuurlijk: wetenschappelijke methodes en opvattingen komen en gaan in de letteren, maar het moet wel heel raar lopen, willen de nu volledig uitgegeven Volledige Werken van Louis Couperus ooit aan verbetering toe zijn. Afgezien van de kwaliteit van de uitgave, die mij moeilijk te overtreffen lijkt, zou waarschijnlijk geen enkele subsidiebron nóg eens zo rijkelijk vloeien voor een dergelijke, kostbare editie waarvan toch zo’n – pakweg – veertig van de vijftig delen in principe onverkoopbaar zijn. Maar het project is gerealiseerd: een prop van prestige in de mond van de schreeuwende commercie.

In zekere zin is het zilveren monument voor Couperus (en zijn lezers) zelf een correctie op een vroegere editie die zo’n slordige veertig jaar geleden ontstond. Reeds vóór de verschijning van het twaalf delen tellende Verzameld Werk, onder redactie van Garmt Stuiveling, werd al duidelijk dat er eigenlijk zo goed als niets deugde van deze uitgave: veel werk (vooral veel poëzie, feuilletons en verhalen) werd zonder duidelijke reden geweerd, er werd met de chronologie geknoeid, een goede en weloverwogen (wetenschappelijke) verantwoording ontbrak, er was geen variantenonderzoek gepleegd en waar nog de grootste commotie over ontstond: de spelling werd aangepast aan de toen heersende regels. De nieuwe editie is een goedmaker op alle genoemde fronten. En degene die zijn naam voor ‘eeuwig’ met deze standaarduitgave mag verbinden is H.T.M. van Vliet, onder wiens leiding een van de mooiste literaire projecten van de afgelopen jaren verwezenlijkt is.

Door de jarenlange, intensieve omgang met de teksten en manuscripten van Couperus, die de totstandkoming van de Volledige Werken vergde, heeft Van Vliet een enorm inzicht kunnen verkrijgen in de verhouding tussen de handschriften, tijdschriftpublicaties en publicaties in boekvorm. Met dat inzicht is natuurlijk méér te doen dan een keurig overzicht geven van alle varianten aan het eind van ieder deel. Van Vliet heeft dan ook een aantal artikelen gebundeld waarin hij tracht door middel van vergelijking van de overgeleverde manuscripten met de gedrukte teksten enig inzicht te verschaffen in de werkwijze van Couperus.

Dit type onderzoek ziet Van Vliet als een nieuwe fase in de Couperus-studie; was de interesse na de herwaardering van Menno ter Braak voornamelijk gericht op de persoon van Couperus, in de jaren zestig en erna stond de structuuranalyse voorop. De laatste jaren heeft het werk van Couperus ook een literair-historisch kader gekregen, terwijl ‘[…] in Nederland het belang van handschriftelijk materiaal voor een analyse van het gepubliceerde werk en voor een inzicht in de werkwijze van de auteur en daardoor in zijn poetica sterk [wordt] onderschat.’ Dat laatste klinkt misschien, gezien het bestaan van de prestigieuze reeks Monumenta Literaria Neerlandica – een reeks waarop Van Vliet overigens mede zijn stempel heeft gedrukt – een tikje overdreven. Dat neemt niet weg dat Van Vliet met een aantal zeer gedegen beschouwingen op een overtuigende manier de waarde van deze bezigheid heeft aangetoond.

Het beeld van de werkwijze van Couperus dat uit de bundel naar voren komt, zou men als volgt kunnen beschrijven. De auteur werkte vrijwel altijd zonder strak schema; hij had doorgaans slechts de grote lijn in zijn hoofd. Dat Couperus zijn romans en verhalen zonder doorhalingen in één keer neerschreef, blijkt een fabeltje; zijn manuscripten bevatten veel wijzigingen, verbeteringen en toevoegingen die, zo toont Van Vliet keer op keer aan, vooral werden aangebracht ter verduidelijking of versterking van de verhaalmotieven of het centrale thema. Daarentegen wijzigde Couperus bijna nooit de hele opzet en bracht hij slechts zelden werkelijk structurele veranderingen aan.

De uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld de romans Langs lijnen van geleidelijkheid en De stille kracht, hebben Van Vliet dan ook tot de boeiendste beschouwingen uit de bundel geïnspireerd. Bij het schrijven van de eerstgenoemde roman kwam Couperus na twaalf hoofdstukken vast te zitten en gaf hij het verhaal een andere wending, mede ingegeven, zo suggereert Van Vliet, door de maatschappelijke en literaire actualiteit. De hoofdpersoon, Cornélie de Retz, verandert van een meisje dat haar verloving heeft verbroken en in Italië enige verpozing zoekt in een zelfbewuste jonge, pas gescheiden vrouw die zich aldaar bekeert tot het feminisme en een vrije relatie aangaat met een Nederlandse kunstenaar. Maar toch ook hier blijkt Couperus trouw aan het eenmaal geschrevene; hij begon niet helemaal opnieuw, maar bewerkte de voltooide hoofdstukken zó, dat ze bij de nieuwe opzet aansloten.

Ook De stille kracht is niet zonder problemen ontstaan; het manuscript van de roman, één van de slordigste die van Couperus zijn overgeleverd, geeft de indruk van grote haast en een moeizame genese. Een opmer­kelijk aspect van de ontstaansgeschiedenis van de roman is de invloed van de ziekte van Couperus’ vrouw, Elisabeth, op het uiteindelijke resultaat. Elisabeth was namelijk gewoon de nagenoeg onleesbare manuscripten van haar echtgenoot in het net over te schrijven. Aangezien Elisabeth na terugkomst uit Indië, waar de roman is ontstaan, nogal eens ziek was, heeft Couperus het zo nu en dan moeten overnemen. Terwijl de gedeelten die Elisabeth voor haar rekening nam ongewijzigd bleven, bracht Couperus hier en daar nogal ingrijpende wijzigingen aan, met als resultaat dat de roman aan kracht en essentie won. Tijdnood echter belette Couperus de laatste helft van de roman door te werken, zodat hij alleen nog maar wat kleine veranderingen in de drukproeven kon aanbrengen. Het is een even boeiende als onbeantwoordbare vraag in hoeverre De stille kracht, toch beschouwd als één van Couperus’ beste romans, nog aan kwaliteit had kunnen winnen zonder al die haast en hoe de rest van zijn oeuvre, immers niet altijd van heel grote kwaliteit, zonder Couperus’ ijverige en toegewijde echtgenote met een duidelijk leesbaar handschrift, er uit zou hebben gezien.

Andere wijzigingen zijn van louter stilistische aard. Daarbij valt vooral op dat Couperus niet erg veel schrapte bij het reviseren, maar juist woorden toevoegde, vooral adjectieven en bijzinnen die de stijl van Couperus haar beroemde of beruchte, geprezen of verguisde, maar immer even omstreden als kenmerkende cachet gaven. Een duidelijk voorbeeld van deze werkwijze biedt een zin uit het bekende verhaal De binocle. De zin: ‘Daar was de Opera, daar stroomde reeds het publiek over het plein, de ingangen binnen’ wordt uiteindelijk: ‘Daar was de Opera, daar stroomde reeds het zwartsilhouetteerende publiek over het avondplein de wijde, verlichte ingangen binnen.’ Het adagium ‘less is more’, voor zoveel auteurs een ijzeren leidraad, heeft voor Couperus niet veel betekend.

Uit een ander, door Van Vliet uitgelicht detail, blijkt dat ‘more’ niet altijd een stilistisch of inhoudelijk doel diende. Toen Couperus merkte dat een bepaald deel van zijn romancyclus De boeken der kleine zielen wat betreft het volume iets te mager zou uitvallen – het honorarium dat uitgever Veen de auteur toezegde was immers gebaseerd op de verwachting dat alle delen het formaat van een grote roman zouden hebben – voegde Couperus een flink stuk dialoog in. Aangezien elke spreekbeurt op een nieuwe regel placht te beginnen, leverde weinig tekst relatief aardig wat extra bladzijden op.

Het zijn deze aardige anekdotes en de degelijke analyses die deze bundel tot boeiende lectuur maken. Gelukkig wordt het begrip ‘bronnenonderzoek’ door Van Vliet prettig ruim genomen – ook de door Couperus gebruikte en verwerkte literaire en historische bronnen vallen daaronder -, zodat het betoog bijna nergens, op een enkel artikel na, in een saaie, opsommerige toon vervalt.

Hier en daar veroorlooft Van Vliet zich ten faveure van de levendigheid een polemische uitval. Zijn zijdelingse aanvallen op Lukkenaer en Dirikx, auteurs van recent verschenen dissertaties die een afwijkend, niet onaanvechtbaar licht laten schijnen op de rol van het noodlot in Couperus’ werk, verdienen wat mij betreft een uitbouw tot een zelfstandig artikel.

Deze bundel essays zou in ieder geval bij iedere Couperus­liefhebber, althans bij degenen die de inrichting van hun bibliotheek niet laten bepalen door het dictoriale bewind van het alfabet, direct áchter het vijftigste deel van de Volledige Werken gestald dienen te worden. 

H.T.M. van Vliet. Eenheid in verscheidenheid. Over de werkwijze van Louis Couperus. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen, 1996; 407 pp., ƒ 44,50

(Uit: Literatuur 14 (1997), nr.1, p.54-56.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *